Guido de Bruin | verhalenverteller


verhalen die raken

Verhalen met lagen - sprookjes en dierenverhalen

Ook sprookjes en dierenverhalen zijn spiegels. Als we erin durven kijken, zien we onszelf en ons eigen leven terug. Soms vervormd, als in een lachspiegel, maar ook deze verhalen gaan over onszelf.


In de bergen van Zwitserland woont een oude graaf, in een vervallen landhuis met twee torentjes aan de rand van een groot bos. De graaf woont daar met zijn enige zoon, Luca. En wat voor zoon... "Wat moet ik met die jongen? Als je eens wist wat ik allemaal heb geprobeerd om hem iets bij te brengen. Maar het is me niet gelukt..."


Zo begint mijn bewerking van het sprookje 'De drie talen' van de gebroeders Grimm. Zal het de jongen lukken om iets van zijn leven te maken? Het is een verhaal over de vraag wat belangrijk is om te leren voor het leven.


TIP: Als je als school met team en ouders in gesprek wilt over de vraag wat zij kinderen willen meegeven voor hun leven, brengt dit sprookje het gesprek gegarandeerd op gang!


Ook mijn dierenverhalen gaan op een laagdrempelige manier over grote thema's. Een voorbeeld vind je hiernaast.


Van een enkel verhaal tot een voorstelling met diverse sprookjes en/of dierenverhalen - ik stel graag een programma op maat voor je samen.


Tarief:  250 - 350 euro, exclusief reiskosten (afhankelijk van de duur)


Er is hoop

“Er is hoop”, zei Mol.

Hij zat samen met Veldmuis op het bankje onder de dikke eik aan de rand van het bos. Het regende zachtjes, en tegelijk was de zon doorgebroken. Mol veegde de regendruppels van zijn bril, zette die weer op zijn neus en zag door de dikke glazen hoe boven het maïsveld een fletse regenboog verscheen.

Hij schraapte zijn keel. “Er is hoop”, zei hij nog eens. Zijn stem klonk ineens heel gewichtig. “Wat jij, Veldmuis?”

Veldmuis wist niet goed wat hij moest zeggen. Hij kon zich wel iets voorstellen bij de hoop van een mol, maar hij voelde wel aan dat Mol iets anders bedoelde. “Wat bedoel je daar precies mee?” vroeg hij voorzichtig.

“Nou ja”, zei Mol geërgerd. “Hoop, je weet toch wel wat dat is?”

“Ja ja, natuurlijk”, zei Veldmuis snel. Hij dacht koortsachtig na over een antwoord dat Mol zou kunnen bevallen.

“Tsja, eh, ik hoop natuurlijk wel eens iets. Als ik bijvoorbeeld bij jou op bezoek ben geweest, diep in je hol, en ik loop door die stikdonkere gang op weg naar huis, dan hoop ik altijd dat ik na de volgende bocht in de verte het daglicht zie.”

“Ha”, zei Mol schamper. “Noem je dat hopen? Je hoopt iets waarvan je weet dat het toch wel zal komen. Je weet toch dat er licht is aan het einde van mijn tunnel? Zo kan iedereen wel hopen.”

Veldmuis zweeg bedremmeld. Maar Mol raakte nu pas op dreef.

“Weet je nog, Veldmuis, die overstroming, een jaar geleden? Mijn hele huis was ondergelopen, en ik moest door mijn eigen gangen zwemmen om mijn vrouw en kinderen te redden. Toen ik de laatste in de boot had gezet, brak de zon door, terwijl het nog regende. Toen zag ik die regenboog. ’t Is gek, maar telkens als ik die zie, denk ik: zo lang er beesten zijn zoals ik, is er hoop.”

Veldmuis veerde op. “Ja, dat weet ik nog. Het was maar goed dat alle muizen samen die boot hadden gebouwd, hè Mol? We wisten eigenlijk niet waarom we het deden, maar we hadden ergens het gevoel dat-ie wel eens van pas zou kunnen komen. Uil heeft later die boot een naam gegeven en die er met dikke zwarte letters op geschreven. Ik vergeet altijd wat er stond, want ik kan niet lezen, zie je.”

Mol kuchte. “Die boot van jullie”, zei hij zacht, “heet geloof ik ‘De Hoop’. Of zoiets.”

Toen zwegen ze allebei, Mol en Veldmuis. Ze keken hoe de regenboog langzaam oploste in de grijze lucht.

“Inderdaad, er is hoop”, zuchtte Veldmuis.